Werven
Werven waar Staverse jollen werden gebouwd
Sietze Jan van der Moolen (1961) was de eerste onderzoeker naar werven en jollen, wat later uitgewerkt werd door MeindertSeffinga (2003). De directeur van het Fries Scheepvaartmuseum keek als eerste
onderzoeker voor de oorsprong van de jol naar de geschiedenis van de scheepswerf in
Stavoren, waar de jollen in de 19e eeuw zijn gebouwd. Seffinga constateert, dat zowel
werfbaas Jan Wijbrands als Douwe Roosjen (en diens knecht Gerben Strikwerda)
afkomstig is van de sloepen- en jollenwerf van Yntje Wijbrands in Hindeloopen. Daar
hebben ze geleerd (Hindelooper) sloepen en jollen te bouwen. Als werfbaas kon
Wijbrands en later Roosjen die vaardigheid in Stavoren uitwerken naar de wensen van de
Staverse vissers. Seffinga legt daarmee een ‘genealogisch’ verband dat door z’n evidentie
verklarende kracht heeft, in tegenstelling tot de uiterlijke gelijkenissen van de andere
auteurs. De geschiedenis van de scheepsbouw in Stavoren van 1846 tot 1918 zet de
diverse spelers op het toneel van de jollenbouw op hun plaats, waar die bij de schrijvers
die onbekend zijn met die geschiedenis, als toevallige passanten langs komen zweven of
helemaal niet gezien worden.
Bakermat Stavoren
Na het faillissement van Veldstra en de verkoop van de Staverse werf aan Van
Swinderen, werd Jan Hartmans Wijbrands in 1856 de nieuwe werfbaas. Een
scheepstimmerman uit Hindeloopen die gewerkt heeft op de sloepenwerf van Yntje
Wijbrands. Over zijn scheepsbouwactiviteiten in Stavoren is vrijwel niets bekend. In de
Jaarverslagen van de gemeente Stavoren wordt niets over scheepsbouw vermeld. Na de
Grondwet van 1848 is ons land bestuurlijk opnieuw vormgegeven. Er wordt bestuurlijke
verantwoordelijkheid gelegd bij provincies en gemeenten. In dat kader zijn de
gemeenten verplicht om verslag uit te brengen van hun activiteiten aan de centrale
overheid (Den Haag). Het eerste Jaarverslag van Stavoren rapporteert over het jaar 1851.
Over de scheepsbouw of de visserij ter plaatse wordt niets opgemerkt. Pas in 1858
wordt geschreven: “De aalvangst geschiedt met zeesloepen”. Een jaar later, over 1859,
wordt vermeld dat de aalvangst geschiedt “met zeesloepen of jollen”. Dat is nieuw. De
aalvangst vindt niet langer plaats met schuitjes, maar met ‘zeesloepen of jollen’. Die
moeten natuurlijk ook ergens gebouwd zijn en het is niet onwaarschijnlijk, dat dit het
werk is geweest van Jan Wijbrands. Na diens faillissement in 1860 werd Douwe Roosjen
uit Hindeloopen werfbaas in Stavoren. Ook hij kwam van de sloepenwerf van Yntje
Wijbrands. In Stavoren bouwde hij af en toe een nieuwe jol voor leden van het Stavers
Visschersgilde, die deze scheepjes in het najaar gebruikten voor de aalvangst. Af en toe,
want in 1863 zijn er in Stavoren tenminste 3 vissersjollen in gebruik bij aalvissers. In
1884 wordt door de gemeente Stavoren aan het College voor de Visserij doorgegeven
dat de plaatselijke aalvisserij geschiedt met ondermeer 11 open jollen. Dat is natuurlijk
geen spectaculaire toename. Acht jollen erbij in twintig jaar, dat is nauwelijks het
vermelden waard. Er wordt in die jaren op de werf van Roosjen ongetwijfeld ook nog
iets anders gedaan dan af en toe een jol bouwen. Daar is op dit moment echter niets
meer over bekend. Roosjen hield geen bedrijfsadministratie bij en wat er wel werd
opgeschreven, is niet bewaard gebleven. Alleen de summiere jaaropgaven aan de
gemeente Stavoren zijn er nog. De opdracht tot de bouw van kleine scheepjes als deze
vissersjollen werd ook niet bezegeld in een notariële akte, zodat ook via die weg niets is
te reconstrueren. Het is zelfs niet bekend of die eerste jollen uit 1859 wel lijken op de
scheepjes die wij nu Staverse jol noemen.

